Wat groeit er langs de vaart?

U raadt nooit welke plantensoort het meest langs de Smilder Vaart aangetroffen wordt? Nou? Wat denkt u? Het is mos.

Zeker in herfst en winter zie je het mos beter. En dan laat ik het korstmos nog buiten beschouwing. Je vindt er herfst en winter snel 4 soorten die te samen een aardig deel van de berm bestrijken. Het purpersteeltje (Ceratodon purpureus) is een algemeen mosje dat graag pioniert.

De wetenschappelijk naam is afgeleid van de Griekse woorden keras (hoorn) en odon (tand). Purpureum betekent ‘paars wordend’. De soort is kalkminnend, dus kan al gauw tussen tegels of op een gemetseld muurtje in de voegen verschijnen. Zeker in de winter als het purpersteeltje veel sporenkapsels vormt is het een fotogeniek plantje met heel veel, soms licht kronkelende, sprietjes. Dat merk je ook als je purpersteeltje googelt: wat een fotografen laten zich door dit nietige mosje inspireren tot de grootste hoogten van hun kunnen. Wat zo’n nietig plantje toch niet al vermag teweeg te brengen. Het heeft ook nog een spannender seksleven dan je zou denken. Zelfs voor wetenschappers was dat een verrassing.

Er zijn aparte mannetjes- en vrouwtjespurpersteeltjes. Hoe krijgen die samen nageslacht? Wind is belangrijk, maar de mannelijke cellen liften soms mee op mijten en springstaarten (een kleine insectensoort) die gelokt worden door speciale geurstoffen. Op deze manier komen de cellen verder dan de paar centimeter die ze op eigen kracht (dit klinkt niet erg ‘mannelijk’) kunnen overbruggen. Het lijkt op wat bloemen met bijen doen, maar is waarschijnlijk stukken ouder. Mossen en kleine geleedpotigen leven al bijna een half miljard jaar samen. Ze waren zo ongeveer de eerste landbewoners.

Wanneer de sporen gevormd worden heeft het mosje veelal een lichtgele stengel met rood sporendoosje. De uitlopers zijn maar 1,5 centimeter hoog, dus je moet goed kijken anders loop je dit kleine mosje zo maar voorbij. Dat zou zonde zijn, een gemiste kans om je te verwonderen over wat de natuur te bieden heeft. De sporen kiemen in twee fasen. Eerst zwellen ze op en daarna verspreiden ze zich. Gewoonlijk vormen zich veel vruchtstelen, die zich bij wisselende vochtigheid draaien en terugdraaien, waardoor de sporen makkelijker verspreid worden. De sporen kunnen maar liefst meer dan zestien jaar kiemkrachtig blijven (dat klinkt al weer wat mannelijker). Er valt nog veel te ontdekken aan het minieme mos, vermoeden de biologen. Zo is onbekend welke organen in het mos de geurstoffen maken. Bovenal vraag ik me af welke beloning een springstaart wacht die op de geur afkomt. Want voor wat hoort wat. Wàt een steeltje! Dat wil je toch voor geen goud missen?

Aanbevolen artikelen